Deelcollectie moderne toegepaste kunst en vormgeving 1900-heden

Deelcollectie moderne toegepaste kunst en vormgeving 1900-heden

Hoewel het jaartal 1900 als scheidslijn niet strikt houdbaar is (eigenlijk begint de periode van vernieuwing in het laatste kwart van de 19e eeuw, als kunstenaars zich met de vormgeving van sier- en gebruiksvoorwerpen gaan bezighouden) wordt deze voor dit collectieoverzicht wel gehanteerd.  De deelcollectie is gerangschikt naar materiaal en bevat objecten van keramiek, glas, textiel en metaal.


Keramiek

Voor het overgrote deel betreft het binnen deze afdeling Nederlandse producten. Vanuit de Arnhemse historie is dit een belangrijk onderdeel van de toegepaste kunstcollecties. De Arnhemsche Fayencefabriek (zo genoemd in navolging van het 18de eeuwse bedrijf van Kerckhof) vestigde zich in 1907 vanuit Purmerend, en begon met het maken van bijzonder sieraardewerk. Hiervan is een aanzienlijke collectie samengebracht. Om dit werk te kunnen plaatsen in een breder verband zijn regelmatig vazen en schalen verworven van andere toonaangevende fabrieken in den lande, zoals Amstelhoek, Amfora, Rozenburg en de Zuid Holland. Rozenburg was ook van belang omdat daar Th.A.C. Colenbrander (1841-1930), een belangrijke ontwerper die lange tijd in en om Arnhem heeft gewoond en gewerkt, van 1885-1892 zeer vernieuwend werk had laten uitvoeren.  De allerbeste werken van zijn hand werden echter van 1921-1925 uitgevoerd in Arnhem, bij de Plateelbakkerij Ram, waarvan ook een groot aantal objecten in de collectie aanwezig is. Zowel bij de Ram als de Fayencefabriek werd naast siergoed ook gebruiksaardewerk gemaakt, en in de loop van de jaren dertig nam het belang van die tak toe. Van fabrieksaardewerk van na de oorlog is alleen gebruiksgoed, strakke functionele serviezen van de belangrijke fabrieken zoals Fris en enkele Maastrichtse bedrijven, alsmede werk van de ontwerper Han Knaap opgenomen.


Representanten van de ‘vrije keramiek’ zijn o.a. Lies Cosijn en Etie van Rees waarvan tot en met de jaren tachtig werk werd verzameld. Het laatste decennium is wederom voornamelijk gebruiksaardewerk verzameld, veelal van de hand van jonge Arnhemse vormgevers. Studenten van Dick Lion verrijkten de collectie met bijzondere gegoten vormen, die ze in eigen beheer en kleine oplagen op de markt brachten.


Glas

De moderne glascollectie bevat werk van kunstenaars als Lebeau, Copier, Valkema en Meijdam  In de collectie bevinden zich zowel unica als serieproducten. Later werk is verzameld in de traditie van de docenten van de glasafdeling van de Rietveldacademie in Amsterdam. Sinds de jaren tachtig werd daar onder leiding van Richard Meitner steeds vrijer gewerkt. Het ‘gebonden’ karakter van het glas werd steeds verder losgelaten en gecombineerd met allerlei andere materialen. Ook technieken als gieten deden hun intrede. Naast werk van Meitner zijn objecten aangekocht van onder anderen Mieke Groot, Bert van Loo en Vincent van Ginnike. Tenslotte is werk van een van de onconventionele Arnhemse ontwerpers, Aernout Visser in de collectie opgenomen.


Textiel

Dit is een kleine collectie, bestaande uit een aantal vloertapijten van rond 1910, en een aantal wandtapijten uit de jaren zestig en zeventig. Tevens een serie bijzondere borduursels van mevrouw De Nerée tot Babberich (1868-1930), die met gekleurd garen landschappen op doek zette. In het verlengde hiervan zitten ook recente geborduurde textielobjecten in de collectie.


Meubels

Het museum bezit sinds de jaren vijftig een kostbaar ameublement van de idealistische Oosterbeekse meubelfabriek LOV (1910-1935) ontworpen door J.B. van Loghem (1881-1940).


(On)edele metalen en sieraden

Zilver en goud zijn van oudsher luxe materialen, zodat voorwerpen daarvan vrijwel altijd een decoratief aspect hebben. Ze vormen daarmee een uitzondering binnen de sector gebruiksvoorwerpen. De vernieuwing aan het eind van de 19de eeuw trad ook hier op, met name in de kleinere ateliers waar meesters als Frans Zwollo sr. en Matthieu Lauweriks. Vooral van Zwollo zijn er zilveren sierpotjes in de collectie opgenomen. Gebruiksgoed als zilveren theeserviesjes waren ook veelgevraagd, van diverse vormgevers (Eisenloeffel, Van der Hoef, Steltman) zijn voorbeelden in de collectie opgenomen. Geleidelijk werd er ook voor fabrieken ontworpen, zoals voor Gero en Van Kempen, maar daar ging het vooral om de kleinere series. De vormentaal is meestal tamelijk tijdgebonden.


Daarnaast is de afdeling edelsmeden aan de Arnhemse kunstacademie van groot belang geweest. In de jaren veertig en vijftig gaf daar Frans Zwollo jr. les, hij legde de nadruk op degelijke materiaalbewerking en zuiverheid. Bij hem werd vooral aan ‘groot zilver’ gewerkt, minder aan sieraden. Riet Neerincx, leerling van Zwollo, legde overigens als conservator van het Gemeentemuseum de basis voor de Arnhemse sieradencollectie.

Na Zwollo, volgde Frank Ligtelijn als docent. Hij stimuleerde juist sieraadontwerpen in een moderne vormentaal. Mensen als Klaas van Beek, Françoise van den Bosch en Lous Martin waren zijn leerlingen. Gijs Bakker vormde de afdeling om tot een opleiding voor industrieel vormgevers, hij wilde van de sieraden af. Toch behoren ook enkele van zijn studenten tot de toonaangevende sieraadontwerpers van dit moment.  Een aantal van hen zoals Maria Hees, Herman Hermsen en Lia de Sain is goed in de collectie vertegenwoordigd.


Edelsmeden zijn in feite de laatsten geweest die aansluiting hebben gezocht bij de beeldende kunst. Sieraden zijn daar een voorbeeld van, de vernieuwing kwam in een stroomversnelling in de jaren zestig. Van de nadruk op de niet-edele materialen en de vorm kwam men op aandacht voor de inhoud, de betekenis van de vormen. Waar in de jaren tachtig formaat, extravertie en draagbaarheid belangrijke items waren, geven de jaren negentig een beweging naar intiem en klein te zien. Daarbij wordt het kostbare edelmetaal ook weer toegestaan.  Een ontwikkeling die in volle omvang te volgen is in de collectie sieraden.


MMKA collectie »